http://linkedin.com/in/ceesrootjes

Ik heb recent voor een vijftal cliënten van mij zittingen voor toelating tot de wettelijke schuldsanering bijgewoond. Een voor mij leerzame en interessante ontwikkeling. In een aantal zittingen kwam nadrukkelijk de goede trouw aan de orde en in een geval werd dat afgedaan door een impliciete toepassing van de hardheidsclausule en in een tweede geval werd de goede trouw in twijfel getrokken, maar werd niet ingespeeld op de mogelijkheid van toepassing van de hardheidsclausule. In het laatste geval werd de toelating tot de schuldsanering afgewezen. De mogelijkheid van hoger beroep is na uitdrukkelijk advies van een gespecialiseerde advocaat achterwege gelaten. Voor deze zaak wordt op dit moment een nieuwe aanvraag voorbereid waarbij getracht wordt in te spelen op de overwegingen van de rechtbank.
Artikel 288, lid 1 onder b van de Faillissementswet bepaalt dat de schuldenaar vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift te goeder trouw moet zijn geweest. In het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken wordt in bijlage IV onder 5.4.4 beschreven wanneer in beginsel geen sprake is van goeder trouw indien zich een of meer van onderstaande zaken voordoet:
• schulden zijn aangegaan terwijl, gelet op het inkomen en/of vermogen van de verzoeker, redelijkerwijs geen uitzicht bestond op aflossing daarvan;
• recent nieuwe schulden van substantiële omvang of substantiële aard zijn aangegaan; -
• schulden zijn aangegaan die voortvloeien uit een verslaving aan bijvoorbeeld gokken, alcohol en/of drugs;
• de verzoeker een eigen onderneming (eenmanszaak) heeft gevoerd en (nagenoeg) geen boekhouding heeft bijgehouden en beschikbaar is;
• de verzoeker schulden heeft aan het UWV of de Belastingdienst die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting; -
• door de verzoeker genoten uitkeringen wegens fraude zijn teruggevorderd; - schulden zijn ontstaan uit misdrijf of overtreding;
• (substantiële) geldboetes zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen (Wet Mulder-feiten).
Als er sprake van een niet te goeder trouw zijn wordt het verzoek om toelating afgewezen. De rechter is niet verplicht om ongevraagd te toetsen of de schuldenaar in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule. Deze hardheidsclausule is opgenomen in artikel 288, lid 3 Faillissementswet en luidt als volgt:
“Het verzoek kan in afwijking van het eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder c, worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen.”
De toepassing van de hardheidsclausule komt meestal aan de orde bij een hoger beroep tegen afwijzing tot toelating.
In de eerste casus kwam de rechtbank t.a.v. een tweetal vorderingen tot de conclusie dat deze niet te goeder trouw waren omdat deze waren aangegaan, gelet op het inkomen en/of vermogen van de schuldenaar, redelijkerwijs geen uitzicht bestond op aflossing daarvan. Vervolgens werd door de rechtbank geconstateerd dat e.e.a. zou moeten leiden tot afwijzing van het verzoek maar omdat er sprake was van civiel bewind en er sindsdien geen nieuwe schulden zijn ontstaan de schuldenaar alsnog wordt toegelaten.
In de andere casus was sprake van een (ex)ondernemer met schulden voortvloeiende uit de onderneming. Hier werden tijdens de zitting enkele vragen gesteld, maar niets wees erop dat het verzoek om toelating zou worden afgewezen. Toch gebeurde dit op basis van de overweging dat de schuldenaar niet te goeder trouw was omdat onvoldoende aangetoond is dat de schuldenaar voldoende oog had voor de belangen van zijn schuldeisers. Er zijn geen overwegingen gewijd aan de vraag of redelijkerwijs toepassing kon worden gegeven aan de hardheidsclausule.
Gezien de duidelijke afwegingen in de uitspraak is afgezien van het instellen van hoger beroep, maar is gekozen voor het voorbereiden van een nieuw toelatingsverzoek waarbij in de eigen verklaring van de schuldenaar nadrukkelijker zal worden ingegaan op de omstandigheden waaronder schulden zijn ontstaan en wat de schuldenaar heeft ondernomen om te komen tot een situatie tot het afbetalen van zijn schulden. Daarbij zal aansluiting worden gezocht bij het arrest van het Gerechtshof Den Bosch van 8 september 2016 waarbij werd overwogen dat als er sprake is van een duidelijke positieve gedragsontwikkeling en echte gedragsaspecten er sprake kan zijn van het onder controle krijgen van de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van de schulden. Alsdan ontstaat een situatie waarbij met succes een beroep worden gedaan op de hardheidsclausule en dus toelating tot de schuldsanering.