Voorliggende voorziening, maar ligt deze wel altijd voor?

Vaak struikelt een aanvraag om (bijzondere) bijstand op grond van artikel 15 van de Participatiewet. In dit artikel wordt bepaald dat geen recht op bijstand bestaat voorzover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

De jurisprudentie over de voorliggende voorziening is talrijk en casuïstisch en laat zien dat veel aanvragen worden afgewezen omdat een voorliggende voorziening aanwezig wordt geacht. Ik kom dat in mijn praktijk als bewindvoerder ook veel tegen. Ik heb veel cliënten met schulden op het gebied van de zorgverzekering en aangemeld zijn als wanbetaler bij het CAK. Dat betekent in de praktijk dat zij alleen over een basisverzekering beschikken. Vooral bij tandartskosten gaat dan een probleem ontstaan omdat deze kosten niet in het basispakket zitten en altijd via een aanvullende verzekering verzekerd moeten worden. Edoch die aanvullende verzekering, voorzover al aanwezig, komt te vervallen bij de aanmelding als wanbetaler. Een beroep op bijzondere bijstand faalt omdat de zorgverzekeringswet wordt aangemerkt als voorliggende voorziening. Op zich geheel correct maar het is wel theorie omdat door de schuldenpositie geen beroep op deze wet kan worden gedaan. In vrijwel alle gevallen leidt een en ander tot het mijden van de tandarts met alle gevolgen van dien. Als dan uiteindelijk een kunstgebit onvermijdelijk is geworden wordt deze wel door de basisverzekering vergoed en betaalt de betrokkene alleen het eigen risico.

In een andere casus werd een aanvullende uitkering geweigerd omdat belanghebbende een beroep zou kunnen doen op de heffingskorting. Deze werd dus aangewezen als voorliggende voorziening. Een aanvraag bij de Belastingdienst leidde tot niets en de cirkel was rond. De belanghebbenden blijven daardoor een sociaal bestaansminimum.

Hoewel de jurisprudentie op het gebied van de voorliggende voorziening de besluitvorming van de overheid vrijwel altijd dekt vind ik een en ander in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Het evenredigheidsbeginsel, nader uitgewerkt in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, bepaalt dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot het te dienen doel. Een afwijzing van bijvoorbeeld hoge tandartskosten omdat de zorgverzekeringswet een voorliggende voorziening is maar daar door schulden geen beroep kan worden gedaan betekent in mijn ogen een onevenredigheid waar met succes een beroep op zou moeten kunnen worden gedaan.

Ook met betrekking tot de kosten van bewindvoering zie je een trend ontstaan waarbij gemeenten proberen al creatiever te worden om deze kosten niet via de bijzondere bijstand te hoeven te vergoeden. Nu vind ik dat er best een inhoudelijke discussie kan worden gevoerd over de vraag of het onder bewind stellen altijd wel noodzakelijk is en dat de toename daarvan niet – mede – wordt veroorzaakt door de toename van het aantal bewindvoerders en daardoor bewind vaak wordt gezien als “economisch verdienmodel” voor een bewindvoerder. Los daarvan zie je beleid ontstaan waarbij studenten eventuele bewindvoeringskosten niet vergoed krijgen omdat zij in het kader van de studiefinanciering geld kunnen lenen en anderzijds dat een gemeente zelf beschikt over bewindvoerders. Beide worden dan gezien als voorliggende voorziening waardoor aanvragen worden afgewezen.

Dit lijkt mij niet de aangewezen weg maar, zoals eerder bepleit, een herijking van de schuldhulpverlening met daarbij het onder bewind stellen. Als er een aantoonbare noodzaak tot bewind is, moet de overheid de kosten voor het bewind gewoon vergoeden. Op deze manier komen we nooit van de schuldenproblematiek af.

Conclusie van het verhaal is dat het constateren van een voorliggende voorziening vaak academisch is waarbij het belang van belanghebbende vaak onevenredig wordt geschaad. Een reden voor bestuurders om een en ander te gaan herijken.