Schuldhulpverlening, zelf aan hulpverlening toe?

Schuldhulpverlening is een overheidstaak en wordt op basis van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) door gemeenten uitgevoerd. Deze vorm van schuldhulpverlening wordt “minnelijke schuldhulp” genoemd omdat schuldeisers vrijwillig aan een proces van schuldbemiddeling moeten meedoen. Als een of meerdere schuldeisers niet willen meedoen, vaak omdat zij maar een gering percentage van hun vordering terugkrijgen, mislukt de minnelijke schuldhulp en kan de schuldenaar een verzoekschrift indienen bij de rechtbank om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsanering (WSNP).

Schuldhulpverlening wordt door gemeenten op de meest creatieve en innovatieve wijze uitgevoerd, maar toch groeit nog steeds het percentage mensen met problematische schulden jaarlijks. De vraag rijst dan ook wat gemeenten – eventueel – fout doen of ligt het probleem dieper? In dit artikel ga ik op deze vraag in en tevens ga ik in op de vraag wat u als raad kunt doen en wat uw invloed precies is. Allereerst een paar feiten ten aanzien van de schuldenproblematiek.

Schulden ontstaan niet alleen door het domweg te veel uitgeven van geld, maar ook door verlies van werk, laaggeletterdheid, het zijn van digibeet en de ingewikkelde regelgeving bij de overheid, waarvan de meeste regels op basis van wantrouwen zijn vastgesteld.

Ruim 700.000 huishoudens in Nederland leven in armoede. Voorts groeit 1 op de 8 kinderen op in armoede. Voor deze kinderen heeft Den Haag geld beschikbaar gesteld aan gemeenten om deze kinderen kansrijker te laten opgroeien. Uit een onderzoek van Nieuwsuur blijkt dat er een fors aantal gemeenten zijn die deze gelden niet besteden aan kinderen in armoede maar gewoon in de algemene middelen laat vloeien.

Een van de bekendste voorbeelden van armoede is het bestaan van voedselbanken in Nederland. De 167 voedselbanken delen wekelijks 38.500 voedselpakketten uit en ruim 135.000 personen zijn afhankelijk van de voedselbank.

De in 2012 geproclameerde zelfredzaamheid, “marktwerking” onder de burgers, is aan bovengenoemde doelgroep vaak niet besteed. In augustus van dit jaar constateerde de voormalig Staatssecretaris van Sociale Zaken, mw. Jette Klijnsma, dat met de economische vooruitgang de armoede afneemt. Het CBS kijkt alleen naar het besteedbaar inkomen. Dat mensen met schulden vaak een zeer fors deel van hun besteedbaar inkomen afdragen aan een deurwaarder, waardoor ze in een armoedeval terecht komen, komt in die cijfers niet tot uitdrukking. Maar dan zijn er óók nog mensen van wie er helemaal geen cijfers zijn. Deurwaarders noemen ze liefkozend ‘noorderzonnetjes.’ Ambtenaren noemen hen ‘VOW’ers’ (‘vertrokken onbekend waarheen’). Politici houden het op “fraudeurs en criminelen” Dit zijn de mensen die op de vlucht slaan voor hun schulden. Ze belanden op campings en de daklozenopvang. In die situatie kun je spreken van de ernstigste vorm van armoede die ons land kent. Wie te boek staat als VOW’er verliest al zijn rechten in Nederland. Je kunt niet meer stemmen, niet naar een huisarts, geen uitkering aanvragen en ga zo maar door. Voordeel: de Belastingdienst, het CJIB en de deurwaarder hebben geen idee waar je bent. Maar mochten schuldeisers de persoon in kwestie onverhoopt toch vinden, dan is het probleem groter dan eerst, want voor VOW’ers geldt er geen beslagvrije voet. Alles wat deurwaarders aan inkomen kunnen vinden, mogen ze in beslag nemen.

 

Schuldhulpverlening kent een preventieve- en repressieve kant. Allereerst de repressieve kant.

Als iemand met schulden er niet uitkomt kan hij zich melden bij de gemeente om toegelaten te worden tot de gemeentelijke schuldhulp. De gemeente kan op basis van de Wgs toelating tot de schuldbemiddeling weigeren als iemand al eerder heeft deelgenomen aan de schuldbemiddeling. De wet regelt niet welke termijn moet zitten voordat in het geval van een hernieuwde aanvraag toelating wel aanvaardbaar. De meeste gemeenten hanteren een termijn van twee jaar.

Toelating kan eveneens worden geweigerd als iemand heeft gefraudeerd met overheidsgeld en daarvoor een bestuurlijke sanctie heeft gekregen. In de praktijk gaan steeds meer gemeenten soepeler met deze grond om. Tot slot kan toelating geweigerd als iemand van niet autochtone afkomst niet beschikt over een rechtsgeldige verblijfstitel.

Als een aanvrager de hefboom van de toelatingscriteria passeert ontvangt hij meestal een checklist van zaken die hij moet aanleveren om tot een proces van bemiddeling te komen. Hier gaat het al vaak fout omdat de persoon in kwestie vaak niet in staat is de gevraagde documenten te leveren en daardoor afhaakt. In gevallen dat de persoon in kwestie over een bewindvoerder beschikt gaat dat proces vlotter en kan een bemiddelingsproces redelijk snel in gang worden gezet. De gemeente berekent vervolgens de afloscapaciteit en schrijft op basis van die berekening de schuldeiser aan en geeft aan wat de schuldeiser van zijn vordering terug kan krijgen. Voor het slagen van het proces moeten vrijwel alle schuldeisers akkoord gaan. Zijn het een paar schuldeisers die niet mee willen doen dan kan de gemeente bij de rechter een dwangakkoord aanvragen. Wordt dit dwangakkoord verleend dan moeten de weigerachtige schuldeisers meedoen. Vervolgens gaat een proces van twee tot maximaal drie jaar van start waarbij de schuldenaar “spaart” om zijn schuldeisers aan het einde her afgesproken bedrag te betalen. Ook in deze fase struikelen nog veel schuldenaren omdat zij het afgesproken bedrag maandelijks niet afdragen en nieuwe schulden maken. Ook voor die mensen kan het van belang zijn dat er een bewindvoerder is om een en ander te voorkomen.

De preventieve kant van schuldhulpverlening ligt in het vroegtijdig signaleren van het ontstaan van schulden bij burgers, waardoor vaak een schuldbemiddelingsproces kan worden voorkomen door vroegtijdige ondersteuning van de gemeenten. Veel gemeenten gebruiken daarvoor hun sociale wijkteams. Ondanks alle goede bedoelingen van gemeenten om de schuldenproblematiek aan te pakken en vooral preventief aan de slag te gaan groeit het percentage mensen met problematische gemiddeld met 43% per jaar. De vraag die daarbij oprijst is wat gemeenten dan – wellicht – fout doen?

De problematiek is te ingewikkeld en veelzijdig om het eenvoudigweg af te doen met de constatering dat gemeenten het niet goed doen.

Vanuit mijn dagelijks beroep (bewindvoerder) constateer ik dat de zelfredzaamheid die wij burgers toerekenen niet voor alle burgers even eenvoudig is. Laaggeletterdheid, het zijn van digibeet en ingewikkelde regelgeving zijn belangrijke oorzaken waardoor burgers in de problemen raken en daar op een gegeven moment niet meer uitkomen. Ook stel ik vast dat mensen niet simpel naar een gemeente toestappen en daar hun “financiële handel en wandel” op tafel leggen. De drempel is eenvoudigweg te hoog en daarbij komt nog dat als mensen zich wel melden, ze een aantal zaken moeten aanleveren waartoe ze niet in staat zijn. Tot slot is er nog de groep van mensen die op de vlucht zijn voor schuldeisers. Van deze groep weten we weinig, worden niet geholpen en zij melden zich ook niet vrijwillig bij een gemeente.