Schuldhulpverlening toe aan herijking

Op basis van het rapport “Eigen Schuld” van de WRR blijkt dat anno 2016 meer dan een half miljoen huishoudens zoveel schulden hebben dat zij die niet meer kunnen aflossen en geregeld houden schuldenaren minder dan het financiële bestaansminimum over. Dit geldt ook voor mensen die zowel de gemeentelijke schuldhulpverlening als de wettelijke schuldsanering hebben doorlopen. Tijd voor een herbezinning zowel op landelijk- als lokaal niveau, waarbij gekeken moet worden welke factoren van invloed zijn op deze ontwikkeling. Is het alleen “eigen schuld” van degenen die schulden hebben of werkt het systeem niet goed en ten aanzien van het laatste, hoe komt dat?

De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) bepaalt dat de gemeenteraad een plan vaststelt dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan haar inwoners. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wet en het door de gemeenteraad vastgestelde plan.

Op basis van de wet kan het college toelating tot de gemeentelijke schuldhulpverlening weigeren indien al eerder gebruik is gemaakt van schuldhulpverlening, de aanvrager fraude heeft gepleegd en daarvoor een bestuursrechtelijke sanctie opgelegd heeft gekregen dan wel sprake is van een persoon die geen verblijfsstatus heeft.  De weigering om toegelaten te worden tot de schuldhulpverlening is weliswaar voor bezwaar- en beroep vatbaar maar is naar mijn mening een onvoldoende oplossing. Het weigeren van gemeentelijke schuldhulp betekent in eerste aanleg ook een blokkade tot de wettelijke schuldsanering. Om toegelaten te worden tot de schuldsanering is een verklaring van het college noodzakelijk dat de minnelijke schuldhulp niet is geslaagd. De schuldenaar kan alleen nog tot de schuldsanering worden toegelaten door eerst een faillissement aan te vragen, dit te laten opheffen wegens gebrek aan baten en op basis van een verklaring van de curator schuldsanering bij de rechtbank te vragen. Wil je naar een effectievere schuldhulpverlening dan is heroverweging van de genoemde weigeringsgronden in mijn ogen onontbeerlijk.

Door de komst van het sociaal domein en daaruit – vaak – voortvloeiende sociale wijkteams is er in het kader van vroeg signalering een aanzienlijke verbetering gekomen. Omdat in die fase vaak nog geen sprake is van onoplosbare schulden wordt budgetcoaching en -beheer ingezet, waarbij vaak gebruik gemaakt wordt van vrijwilligers. Er zijn een aantal lokale initiatieven in Nederland waar dit redelijk succesvol werkt. Echter, zoals ook in het rapport van de WRR wordt geconstateerd, is er bij schuldenaren vaak sprake van een gedragsprobleem op het gebied van financieel beheer. In het rapport wordt ook de twijfel uitgesproken of de inzet van budgetcoaching en -beheer een voldoende adequaat middel is. Een definitief oordeel of dit al dan niet zo is hangt af van de persoonlijke omstandigheden van de schuldenaar en moet dus individueel beoordeeld worden. Budgetcoaching en – budgetbeheer vraagt veel van de schuldenaar zelf en is in die zin vrijblijvend.

Als de inzet van dit middel niet echt tot resultaten leidt zou inschakeling van een beschermingsbewindvoerder kunnen worden overwogen. Bewindvoering is bij de lokale overheid niet populair omdat deze te veel een beroep zouden doen op bijzondere bijstand om hun kosten vergoed te krijgen. Ik sluit niet uit dat dit in een aantal gevallen ook zo is, zeker in die gevallen waarbij de bewindvoerder zijn klant ziet als “economisch verdienmodel”.

De kennelijke weerzin tegen een bewindvoerder leidt er ook vaak toe dat tussen de gemeentelijke schuldhulp en bewindvoerders weinig contact is en beiden op hun manier bezig zijn met de individuele schuldenaar zonder dat ze dit van elkaar weten.

Naar mijn oordeel zou hier echter winst kunnen worden geboekt in die zin als bij de vroeg signalering het oordeel is dat de schuldenaar het zelf niet gaat redden een bewindvoerder in te schakelen. Als dat in een vroegtijdig stadium gebeurt en de bewindvoerder treedt actief op dan is het mogelijk om zonder gemeentelijke schuldhulp de schuldenaar uit de schulden te krijgen. Dit kan de lokale overheid geld opleveren omdat er minder externe schuldhulpverleners hoeven te worden ingehuurd. Een goed communicatief traject tussen gemeente en de bewindvoerder is daarbij wel een tweede vereiste.

Mijn voorstel zou zijn om de lokale overheid het voortouw te geven bij de schuldenproblematiek, in die zin dat mensen met schulden zich altijd eerst bij de gemeente moeten melden en niet starten met het zoeken naar een bewindvoerder.

De gemeente beoordeelt in het individuele geval of de schuldenaar voldoende geholpen kan worden met budgetcoaching of -budgetbeheer. Lukt dit niet dan wordt een bewindvoerder gezocht die als taak krijgt om binnen maximaal vier maanden de financiën te stabiliseren, het schuldendossier op orde te krijgen en de gemeente adviseert over de vraag of de schuldenaar met behulp van de bewindvoerder zelf binnen maximaal drie jaar de schulden kan aflossen of dat het traject van schuldhulpverlening en – eventueel – schuldsanering zou moeten worden gevolgd.

Een en ander kan de efficiency verbeteren, minder personeelskosten voor de gemeente, een strakker budgettair kader voor het vergoeden van kosten voor de bewindvoerder tot slot – wellicht – het belangrijkste een grotere kans op blijvend succes.