Meer autonome bevoegdheden voor de gemeenteraad?

Douwe Jan Elzinga bepleit in een column in het blad Binnenlands Bestuur van 26 mei jl. voor een verandering van taakstelling voor gemeenten. Elzinga concludeert dat de autonomie – kaderstellende taak - van gemeenteraden in rap tempo verdwijnt door de komst van meer gesloten medebewindswetten en overdracht van taken aan regionale besturen. Hij eindigt zijn column met een pleidooi voor het opruimen van gesloten medebewind en de gemeentelijke autonomie en het vrije medebewind moeten nieuw leven in worden geblazen.

De autonomie voor de lokale overheid wordt gegarandeerd door het bepaalde in artikel 124, lid 1, van de Grondwet. Hierin is bepaald dat de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hen wordt overgelaten, met andere woorden de lokale overheid is autonoom betreffende alle zaken die de huishouding van de gemeente betreffen. De Grondwet noch de Gemeentewet geven invulling aan het begrip “de huishouding van de gemeente”.  De reikwijdte daarvan wordt feitelijk bepaald door het schorsings- en vernietigingsrecht van de Kroon, waarover ik in een andere bijdrage geschreven heb.

Ik deel de opvattingen van Elzinga in zijn column maar zie daarbij ook een aantal obstakels in de sfeer van diezelfde autonomie en het vrije medebewind.

Er is dus autonomie met een begrenzing. Een begrenzing die je onder andere tegenkomt bij het Sociaal Domein. Taken op dit gebied zijn overgeheveld naar gemeenten en geven, vooral opvallend in de Wmo, redelijk veel beleidsvrijheid. Aangezien echter het Rijk stelselverantwoordelijk is gebleven is die beleidsvrijheid – autonomie -  aan grenzen gebonden. Als voorbeeld verwijs ik naar de discussie over de huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo. De wet regelt op dit punt niets en lange tijd zag het ernaar uit dat gemeenten hier veel beleidsvrijheid hadden. Die vrijheid is enigszins tenietgedaan door de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep op 18 mei 2016. Onder druk van de Tweede Kamer heeft de Staatssecretaris tevens gemeenten laten weten dat – zo nodig – door hem wordt ingegrepen als gemeenten huishoudelijke hulp blijven weigeren. Kortom gemeenten zijn autonoom maar omdat het Rijk stelselverantwoordelijk is gebleven feitelijk een autonoom medebewind voor gemeenten.

Bij vrije medebewindswetten is de kaderstellende taak van de gemeenteraad groot, zij het dat ook hier de begrenzing ligt in het schorsings- en vernietigingsrecht. Dat laatste zal vooral optreden als gemeenteraden te veel afwijken van de doelstellingen van de medebewindswetgeving. Een van de problemen die bij de kaderstellende bevoegdheid kan optreden is het moment waarop de raad zijn kaders stelt. Kaderstellen verliest een deel van zijn kracht en glans als dat pas wordt gedaan nadat het college een voorstel heeft gepresenteerd. Ik zie hier een grote taak en verantwoordelijkheid voor griffiers om tijdig op vrije medebewindswetgeving in te spelen zodat de raad tijdig zijn kaderstellende rol kan invullen.

Over verlengd lokaal bestuur is al veel gezegd en geschreven. De wet gemeenschappelijke regelingen is zelfs aangepast waardoor gemeenteraden vooraf kaders kunnen stellen ten aanzien van het budgetrecht. Toch is een veelgehoorde klacht dat verlengd lokaal bestuur een “ver van mijn bed show” is voor raadsleden. Raadsleden kruipen daardoor vaak in een controlerende rol en komen daardoor aan kaderstelling niet meer toe.

Zoals gezegd onderschrijf ik het pleidooi van Elzinga maar vraag mij wel af of raadsleden bij een verruiming van de autonome bevoegdheden daarvan actief gebruik gaan maken. Op basis van mijn ervaring als ambtenaar en raadslid betwijfel ik of er veel zal veranderen.