Huituitzetting

Gisteravond bleef ik toevallig hangen bij het televisieprogramma Pauw waar Jesse Klaver in een debat met Klaas Dijkhoff de stelling op tafel legde dat mensen met schulden niet meer uit hun huis moeten kunnen worden gezet. Daaraan verbond hij geen enkele restrictie, behalve dat de betrokkene schulden moest hebben.

Als bewindvoerder was ik plotseling geinteresseerd in het debatje over deze stelling, waar overigens niet veel uitkwam.

Mensen met schulden niet meer uit huis zetten, het is een droom voor veel mensen in een schuldensituatie en een huurachterstand, maar de vraag is of het realistisch is. Immers het maakt dan niet meer uit of je al dan niet huur betaalt, als je schulden hebt mag je blijven zitten. Ik acht een en ander niet bevorderlijk voor de opbouw van zelfredzaamheid van mensen.

Voor zover mijn kennis strekt is drie maanden of meer huurachterstand volgens vaste jurisprudentie voldoende voor een huiseigenaar om ontbinding te vragen. Deze wordt vrijwel altijd verleend, soms nog wel eens voorwaardelijk in de zin dat eigenaar en huurder een kans krijgen om een minnelijke regeling te treffen en bij nakoming daarvan door de eigenaar geen gebruik mag worden gemaakt van de ontbonden huurovereenkomst.

Artikel 6:265, lid 1, Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

Ik heb in diverse procedures voor mijn cliënten bij de rechter een beroep gedaan op deze “tenzij-bepaling” met daarbij een aantal inhoudelijke argumenten waarom een beroep daarop zou moeten slagen. Steeds weer zie ik in een vonnis geen enkele overweging van de rechter op basis hiervan. Het blijft bij de overweging dat de huurachterstand alleen al de ontbinding rechtvaardigt

Daarnaast doe ik, voor zover daarvan onderbouwde argumenten voor zijn, een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 BW. Ook bij een beroep hierop zie ik in een vonnis nooit wat terug.

De stelling van Jesse Klaver van niemand met schulden kan uit huis worden gezet is te absoluut, niet altijd rechtvaardig en billijk ten opzichte van derden die wel aan hun verplichtingen voldoen. De basisgedachte zou wel richtsnoer kunnen en moeten zijn bij een beroep op de “tenzij-bepaling” en een beroep op de beperkende werking van billijkheid en redelijkheid, waarbij wel voorwaarde is dat er geloofwaardige en onderbouwde argumenten zijn en een serieuze poging van de schuldenaar om van de huurachterstand af te komen.

Ben echter bang dat het niet zover zal komen en dat de stelling gezien zal moeten worden als een luchtballon in het kader van verkiezingen. Als het de politiek ernst is om de schuldenproblematiek en de daarmee soms gepaard gaande huisuitzettingen beter te structureren zou de door mij geschetste constructie een methode kunnen zijn.